Hij was te laat, appt de brugklasser, zijn woorden gefrustreerd, staccato. Kom óp, zeg: eigenlijk was hij precies op tijd binnen. Maar zijn telefoon had nog op zijn fietszadel gelegen, waardoor hij terug moest naar de stalling. Toen hij opnieuw door de schooldeuren kwam, zijn rug plakkerig van het warme zweet, de haren verwilderd, was hij gesnapt door de conciërge, diens vinger op het horloge. ‘Waar dachten we naartoe te gaan, meneertje?’